Anatomie van de huid

Van buiten het lichaam naar binnen bestaat de huid uit drie lagen: de opperhuid (epidermis), de lederhuid (corium of dermis) en de onderhuid (hypodermis of subcutis). Elke laag wordt op zich nog eens onderverdeeld in verschillende lagen.

Epidermis

De epidermis is de meest oppervlakkige cellulaire laag van de huid. Deze laag is gemiddeld 0.1 mm dik, maar op specifieke huidzones (zoals de  handpalm en de voetzool) kan deze tot 1 à 2 mm dik zijn. Ze biedt een extra bescherming van de handen en de voeten tegen grotere mechanische invloeden bij het stappen en het gebruik van de handen. Deze dikkere laag is het gevolg van  de differentiatie van de epidermale cellen.

De epidermis wordt op een niet-directe wijze voorzien van de nodige zuurstof en voedingstoffen. Deze stoffen worden in de oppervlakkige (papillaire) dermis aangevoerd door een diffusie ter hoogte van het vasculaire netwerk. 

De epidermis bestaat uit verschillende lagen, waarbij elke laag het gevolg is van het differentiatieproces van de grote epidermale cellen (keratinocyten).  De keratinocyten maken 95% uit van de epidermale celpopulatie. De verschillende lagen van de epidermis zijn:

  • Hoornlaag (stratum corneum)
  • Heldere laag (stratum lucidum)
  • Korrellaag (stratum granulosum)
  • Stekelcellenlaag (stratum spinosum)
  • Basale laag (stratum basale)

De hoornlaag, heldere laag en korrellaag vormen samen de verhoorningslaag. De stekelcellenlaag en de basale laag vormen samen de kiemlaag (stratum germinatium).

Hoornlaag

De korrel-, heldere, en hoornlaag vomen de verhoorningslaag en bevatten cellen die reeds afgestorven zijn. In de korrellaag synthetiseren de cellen kerathohyaline, het voorstadium van de hoornstof keratine. In de heldere laag vloeien de kerathohyalinelichaampjes samen en vormen elaidine, een vette substantie met sterk lichtbrekende eigenschappen. Ten slotte verhoornen de afgeplatte cellen steeds verder en ze gaan over in de hoornlaag, waarvan de bovenste laag voortdurend afschilfert. 

Kiemlaag

De basale laag en de stekelcellenlaag vormen de kiemlaag. Ze bestaan uit levende opperhuidcellen die de afgestoten cellen van de hoornlaag vervangen. De basale laag maakt continu nieuwe cellen aan die naar de bovenliggende lagen toe opschuiven. De basale cellaag bevat speciale verankeringselementen die verbonden zijn met de dermis. 

Overige celstructuren van de epidermis

De overige cellen zijn: melanocyten, Langerhanscellen en Merkelcellen.

Melanocyten

Een melanocyt is een huidcel dat melanosomen produceert en afgeeft aan de keratinocyten in de basale laag. Het zijn dentritische (sterk vertakte) cellen die voorkomen tussen de basale opperhuidcellen. Door de aanwezigheid van huidpigment (melanine) zijn ze verantwoordelijk voor de cosmetische kleuring van de huid, het haar en de ogen. Melanocyten voorzien ook in de bescherming van het lichaam tegen Ultra-Violet (UV) straling.

Langerhanscellen

Langerhanscellen zijn dentritische (vertakte) huidcellen die een belangrijke rol spelen bij het immuunsysteem. Ze bevinden zich in de basale laag van de epidermis. Bij het binnendringen van micro-organismen  in de huid nemen de Langerhanscellen antigen op van de binnendringers. De Langerhanscellen transporteren de antigenen naar een lymfeklier waar de antigenen aangeboden worden aan nog ongespecialiseerde T-lymfocyten. De Langerhanscellen zijn verantwoordelijk voor de regulatie van het ontwikkelingsproces van de cytotoxische T-lymfocyten, de productie van antilichamen door de B-lymfocyten en de activatie van macrofagen.

Merkelcellen

Merkelcellen bevinden zich in de basale laag van de epidermis en hebben een functie bij de tastzin. Daarenboven zouden ze verantwoordelijk zijn voor de proliferatie en differentiatie van keratinocyten.

Dermis

De dermis kan gezien worden als een sponsachtige, waterachtige structuur bestaande uit een netwerk van collageen en elastinevezels die zorgen voor de elasticiteit van de huid. In de dermis kunnen twee lagen onderscheiden worden: de papillaire laag (stratum papillare) en de  reticulaire laag (stratum reticulare). 

De papillaire laag

De papillaire laag ontleent haar naam aan de bindweefselpapillen waardoor de dermis vast verbonden is met de epidermis. Hiertussen bevinden zich fijne lissen van capillairen die zorgen voor de voeding van de epidermis. Ook de lymfevaten beginnen hier. Het stratum papillare bevat ook talrijke vrije zenuwuiteinden die zich vertakken in de epidermis en verder in temperatuurreceptoren en tastzinorganen (tastlichaampjes van Vater-Pacini en Meissner). 

Tastlichaampjes van Vater-Pacini en Meissner

In het lichaampje van Vater-Pacini liggen de mechano-receptoren voor de druk. Deze komen behalve in de huid op vele andere plaatsen in het lichaam voor: bijvoorbeeld in het bindweefsel rond spieren en pezen en onder de slijmvliezen. Het lichaampje wordt omringd door een structuur in de vorm van een uienschil. De zenuwcel loopt van het ene einde naar het midden en stopt daar. Wanneer er druk op het lichaampje van Vater-Pacini wordt uitgeoefend rekt het lichaampje wat uit. Dit signaal wordt doorgegeven aan de zenuw. 

De tastzinorgaantjes zijn de lichaampjes van Meisner. Ze bevinden zich in de uitstulpingen van de dermis vlak onder de epidermis. Ze komen het meest voor op de vingertoppen, de lippen, de oogleden, de tepels en de uitwendige geslachtsorganen. De lichaampjes van Meisner hebben de vorm van een ei waarin zich een zenuweinde vertakt. 

De vrije bindweefselcellen

De vrije bindweefselcellen omvatten fibroblasten, macrofagen, mastcellen, lymfocyten, plasmacellen, eosinofiele granulocyten en monocyten. De beweeglijke fibroblasten differentiëren zich tot fibrocyten. De andere vrije cellen van het bindweefsel zijn onderdelen van het endogene afweersysteem. De vrije ruimte (interstitium) tussen de cellen en de vezelige elementen zijn gevuld met een gelei-achtige vloeistof, de intercellulaire substantie. De cellen kunnen zich in deze substantie vrij bewegen. 

Fibrocyten zijn cellen die in staat zijn om collageen en elastine te synthetiseren. Daarnaast produceren ze andere stoffen die van belang zijn voor de vochthuishouding van de dermis. Fibrocyten verbinden zich met hun lange uitsteeksels tot een driedimensioneel netwerk  dat doortrokken is met collageenvezels en elastische bindweefselvezels. 

Mastcellen produceren weefselhormonen, hyaluronzuur en weefselenzymen. Bij ontsteking geven deze cellen onder andere heparine, histamine, serotonine en protease vrij. 

Een macrofaag is een grote mononucleaire cel (diameter: 12-20 μm) die in staat is resten van dode of beschadigde lichaamseigen cellen, veranderd intercellullair materiaal, lichaamsvreemde cellen (bijv. micro-organismen) en inerte deeltjes in zich op te nemen door middel van fagocytose en pinocytose. 

Lymfocyten zijn specifieke afweercellen die op hun celmembraan speciale celreceptoren hebben. Deze celreceptoren kunnen zich hechten aan een stukje van de ziekteverwekker. Dit stukje, dat meestal een typisch eiwit op de buitenkant van de ziekteverwekker is, heet antigeen. Elke lymfocyt heeft maar receptoren voor één soort ziekteverwekker, vandaar dat het immuunsysteem specifiek is. Er zijn vele miljoenen verschillende lymfocyten in het lichaam met ieder hun eigen antigeenreceptor. Elke lymfocyt heeft rond de honderdduizend receptoren op zijn celmembraan. De lymfocyten zijn in twee groepen in te delen: T-lymfocyten (T-cel) en B-lymfocyten. 

Plasmacellen zijn in staat om anti-lichamen te produceren. Antilichamen zijn (plasma)eiwitten (ook wel gammaglobulines genoemd) die met antigenen (lichaamsvreemde stoffen, meestal eiwitten) in het bloed een complex kunnen vormen, waardoor de antigenen onschadelijk gemaakt kunnen worden of gemakkelijker door de leukocyten afgebroken kunnen worden. Monocyten zijn kleinere fagocyterende cellen die de capillairen kunnen verlaten en zo een reservoir vormen voor weefselmacrofagen. 

Eosinofiele granulocyten zijn witte bloedcellen die een rol spelen bij het bestrijden van infecties door parasieten en schimmels. Deze cellen zijn ook betrokken bij allergieën.

De reticulaire laag

De reticulaire laag bevat minder vrije cellen dan de papillaire laag. De collagene vezels vormen een dicht netwerk dat hoofdzakelijk parallel loopt aan het lichaamsoppervlak. Tussen de mazen van dit netwerk vertakken zich de vezels van het elastische bindweefsel die zo de rekbaarheid van de huid geven. Speciale modificaties van de huid zijn de haarfollikels, talg-, zweetklieren die ingebed zijn in de dermis.

Hypodermis

De dermis gaat zonder een duidelijke grens over in de hypodermis. In de hypodermis lopen talrijke fibreuze banden die de huid met de onderliggende fascia verbinden. Tussen deze lagen zitten vetkussentjes. Enerzijds hebben ze een structurele functie als mechanisch buffer en als isolatie tegen warmteverlies, en anderzijds fungeren ze als vetdepot. Wanneer deze fibreuze banden minder sterk ontwikkeld zijn, kan de huid gemakkelijk op haar onderlaag bewegen om een huidplooi te vormen. Op de voetzoelen en de hoofdhuid, waar de huid vrijwel niet te bewegen is, zijn deze fibreuze strengen sterk ontwikkeld en talrijk.
Onder de hypodermis ligt de fascia die op haar beurt, afhankelijk van de locatie op het lichaam, rust op onderliggende spieren, vet, bot of kraakbeen. De fascia geeft ondersteuning en bescherming aan die lichaamsdelen. Het geeft structuur aan het lichaam.