Wondeigenschappen

De wondeigenschappen die behandeld worden, zijn: etiologie, chroniciteit en uitzicht. Dit overzicht is weliswaar niet volledig en overlappingen komen voor.

Etiologie

De etiologie of de oorzaak (eventueel de onderliggende pathologie) van de wonde is belangrijk. Deze kan een indicatie zijn voor de tijd die nodig zal zijn om een volledige genezing te bekomen. 

Chroniciteit

De chroniciteit van een wonde heeft betrekking op de tijd dat een wonde reeds bestaat of op de duurtijd die een wonde nodig heeft (of zal hebben) om te genezen. Er zijn twee voorwaarden om een wonde als chronisch te classificeren. Ten eerste bestaat de wonde langer dan 6 weken en is nog niet genezen door het toepassen van een klassieke wondbehandeling. Ten tweede is de wonde ontstaan als gevolg van een onderliggende pathologie die niet onmiddellijk corrigeerbaar is. 

Uitzicht

Een beoordeling van het uitzicht van de wonde bestaat uit een observatie van volgende parameters: locatie, vorm, grootte (oppervlakte), volume, kleur van het wondbed, diepte, wondvocht, wondrand en wondomgeving. Ook de aanwezigheid van geur wordt geregistreerd.

Locatie

De locatie van de wonde kan bepalend zijn voor de snelheid van de wondgenezing. Een wonde ter hoogte van goed doorbloed weefsel zal meestal sneller genezen dan een wonde die gelegen is ter hoogte van weinig doorbloed weefsel. Ook de aanvoer van bacteriën uit de omgeving van de wond (bv. anus) zal het genezingsproces mogelijk beïnvloeden.
Naast de locatie is ook het type weefsel dat aangetast is (bv. peesweefsel, spierweefsel, bindweefsel,…) bepalend voor de wondgenezing (Beele & De Win, 2004).

Vorm

De beschrijving van de vorm van de wonde is de weergave van het globaal wondpatroon. De vorm wordt bepaald door de lengte en de breedte van het letsel en kan omschreven worden als cirkelvormig, rechthoekig, lineair, onregelmatig,… . Veranderingen in dit patroon kunnen een indicatie zijn voor de effectiviteit van de wondgenezing (Bates-Jensen, 2001).

Grootte (oppervlakte), diepte en volume  

Om grootte (oppervlakte), diepte en volume van een wonde te kunnen registreren worden de lengte, de breedte en de diepte bepaald. Het bepalen van de wonddiepte en de grootte van de wonde is belangrijk, omdat dit een indicatie kan zijn voor de duur van de wondheling. De verandering in de grootte en de diepte van de wonde geeft een indicatie over de effectiviteit van het genezingsproces.

Er bestaat een grote variatie aan meetinstrumenten die de grootte (oppervlakte), de diepte en het volume van de wonde bepalen (Kunin, 1985; Plasmann, 1994; Beele & De Win, 2004; Keast et al., 2004). De observatie van de vorm en de diepte van wonde gebeurt aan de hand van de lengte, de diepte en de breedte. Er bestaan elektronische en niet-elektronische meetinstrumenten die de evolutie van de wond kunnen registreren. Door het gestandardiseerd registreren kunnen betrouwbare gegevens bekomen worden en wordt het gemakkelijker om een correcte beslissing te nemen in verband met de behandeling. De verandering in de vorm en de grootte van de wond geeft een indicatie over de effectiviteit van het genezingsproces. Een verandering dient uitgedrukt te worden in een procentuele reductie of uitbreiding  van de wondoppervlakte (Falangan, 2003).

Kleur van het wondbed

De kleur die het wondbed aanneemt, is het gevolg van de fysiologische en biochemische veranderingen die plaatsvinden. Traditioneel worden 3 kleuren onderscheiden: zwart, geel, rood. Deze kleuren worden ook gebruikt als indicatie voor de ernst van de weefselschade.

Zwarte kleuren worden meestal gezien bij arteriële afsluiting, waarbij een gedeelte van epidermis en dermis acuut afsterven, soms tot op grote diepte. De zwarte tinten worden gevormd door de afgestorven epidermis en haemorrhagische necrose.

Gele kleuren verschijnen na de verwijdering van zwart necrotisch weefsel en zijn vanaf het begin zichtbaar bij langzamer progressieve ulceraties zoals het veneus ulcus. De gele kleuren worden gevormd door een combinatie van niet-gevasculariseerd vet en bindweefsel, een fibrine laag en exsudaat met leukocyten. Zowel het zwarte als het gele materiaal dienen verwijderd te worden. Dit proces wordt debridement genoemd.

Rode kleuren verschijnen na het debrideren. De wonde wordt gevuld met rood, gezond granulatieweefsel bestaande uit bindweefsel met nieuwgevormde capillairen en fibroblasten.

Wondvocht

Bij deze parameter dient de hoeveelheid, de kleur en de helderheid van het wondvocht waargenomen te worden. Chronische wonden laten afhankelijk van de fase van wondgenezing een groot verschil zien in exsudaatvorming: ze zijn weinig, matig of sterk exsuderend. Een sterk exsuderende wonde kan wijzen op de aanwezigheid van contaminatie of oedeem. Een te grote hoeveelheid wondexsudaat bemoeilijkt de vorming van een stabiel en genezingsbevorderend microklimaat in de wonde. Het kan daarenboven leiden tot maceratie (verweking) van de omliggende huid. 
Ook te weinig wondexsudaat is schadelijk voor het wondmilieu. In een te droge wonde wordt de groei van nieuwe cellen vanuit de wondranden verhinderd. Het nieuwe weefsel wordt vertraagd gevormd en is minder stabiel. Het evenwicht in de vochtbalans kan behouden worden door een systemische behandeling bij onderliggende ziekteprocessen of door een lokale behandeling (toepassen van specifieke wondverbanden). De kleur en de helderheid van het wondvocht kunnen ook een indicatie geven voor de graad van contaminatie van de wonde.

Wondranden

De status van de wondrand kan variëren: normaal, niet-sluitend (atoon), ondermijnd, verweekt:

Normaal

Bij volledige synthese van het bindweefsel veranderen de fibroblasten in fybrocyten en myofibroblasten. De myofibroblasten zijn in staat zich te contraheren en trekken daardoor de wondranden naar elkaar toe. 

Niet-sluitend (atoon)

De wonde sluit niet als gevolg van het uitblijven van de reëpithalisatie of bij een vertraagde reëpithalisatie. De keratinocyten migreren niet naar het midden van de wonde waardoor deze niet sluit. 

Ondermijnd

Onder de huidranden van de wonde kan de schade aan het weefsel zich verder uitbreiden. Bij vermoeden van ondermijning kan het nuttig zijn dit met een sonde of wondpeiler te observeren.

Verweking

Wondranden kunnen verweken door langdurig contact met wondvocht. De huid wordt eerst wit en kan nadien erosief worden. Maceratie wordt gezien bij sterk exsuderende wonden en bij incontinentie.

Wondomgeving

De observatie van de wondomgeving is belangrijk. De huid kan normaal, vochtig of droog zijn. Het meest voorkomende probleem in de wondomgeving is het optreden van verweking of maceratie, hyperkeratose en eczeem.

Maceratie

Dit wordt gedefinieerd als het verweken en kapotgaan van de huid na een langdurig contact met vocht. Dit vocht kan geproduceerd worden door de wonde, maar kan ook afkomstig zijn van urine, faeces, transpiratie of bij nattend eczeem. Bij chronische wonden is het risico op maceratie het grootst. Het infectierisico als gevolg van deze complicatie is reëel.  

Hyperkeratose

Dit wordt gedefinieerd als een sterke verhoorning van de opperhuid als gevolg van chronische druk. Door de verhoorning van de opperhuid is de elasticiteit van de huid verdwenen en kan de huid gaan barsten en bloeden.

Eczeem

Dit is een ontsteking van de huid, die gepaard kan gaan met roodheid en jeuk. De ontsteking kan uitgelokt worden door een externe stof die het afweersysteem in de huid activeert (bv. gebruikte middelen bij de wondbehandeling).

Geur

Geur ontstaat als gevolg van de afvalstoffen, geproduceerd door bacteriën. Gecontamineerde of geïnfecteerde wonden bevatten een groot aantal van deze bacteriën. Het ontstaan van de geur is sterk gerelateerd aan het wondexsudaat (hoeveelheid, kleur, helderheid). Sterk exsuderende wonden bevatten veelal bacteriën en verspreiden frequenter een sterke geur dan weinig exsuderende wonden. Wanneer het aantal bacteriën daalt, zal de productie van afvalstoffen dalen en zal de geur verminderen. Droge wonden ontwikkelen in de regel minder geur. Bij maligne wonden is er door het afstervende weefsel en de bacteriële lading in dat weefsel een zeer sterke geurontwikkeling mogelijk. 

Omdat patiënten zich als gevolg van geurproblemen vaak sterk geïsoleerd voelen, vereist de behandeling van geur bijzondere aandacht